Fotograferen op de S-stand

Hoe gebruik je sluitertijden? Hoe leg je beweging vast in je foto? Of hoe bevries je deze beweging juist? Ik leg het je uit.

Er zijn sluitertijden mogelijk van van 30 seconden of zelfs langer, tot zelfs 1/8000 van een seconde. Vroeger (in het analoge tijdperk) verliep de stapgrootte tussen deze sluitertijden lineair, dus telkens met een factor 2. Tegenwoordig kan de stapgrootte bij digitale spiegelreflexcamera’s verkleind worden met eenderde van een factor 2.

De stapgrootte van deze sluitertijden verloopt als volgt (uitgedrukt in seconden): 30 – 25 – 20 – 15 – 13 – 10 – 8 – 6 – 5 – 4 – 3 – 2.5 – 2 – 1.6 – 1.3 – 1 – 1/1.3 – 1/1.6 – 1/2 – 1/2.5 – 1/3 – 1/4 – 1/5 – 1/6 – 1/8 – 1/10 – 1/13 – 1/15 – 1/20 – 1/25 – 1/30 – 1/40 – 1/50 – 1/60 – 1/80 – 1/100 – 1/125 – 1/160 – 1/200 – 1/250 – 1/320 – 1/400 – 1/500 – 1/640 – 1/800 – 1/1000 – 1/1250 – 1/1600 – 1/2000 – 1/2500 – 1/3200 – 1/4000. Mijn camera gaat slechts tot 1/4000, maar afhankelijk van de camera die je in het bezit hebt, kan dit variëren. Dit betekent dus één vierduizendste van een seconde, supersnel dus.

Een sluitertijd van bijvoorbeeld 1/225 ga je dus niet tegenkomen op je camera.

Hier was ik iets te laat weg toen de foto genomen werd.

Sluitertijd
Boven op je camera, heb je een draaischijf welke je (in het geval van een Nikon) kunt draaien op M, A, S, en P. Wanneer je hem draait op ‘S’, kies je voor de voorkeuzestand van de sluitertijd (of Shutterspeed, vandaar de S). Op deze stand bepaal jíj hoe lang de sluitertijd wordt, en zorgt je camera voor het passende diafragma. Meer informatie over het diafragma vind je hier.

Deze tijd bepaalt hoe lang de sluiter van je camera open staat, om beeld op de sensor toe te laten. Bij een sluitertijd van 1/500 bevriest het beeld, zoals op de linkerfoto. Bij een sluitertijd van 1/5 van een seconde (dus eigenlijk 0.2 seconden) vervaagt het beeld dat beweegt. In beide foto’s heb ik een zwaai aan de wereldbol gegeven waardoor hij ging draaien.

Stapgrootte
Bij een sluitertijd van 1/250 seconde wordt dus twee keer zo lang licht doorgelaten als bij 1/500 seconde. Omdat je tijdens het fotograferen over het algemeen bezig bent met breuken, kort de camera dit af (als gevolg van ruimtegebrek in het venster) tot bijvoorbeeld 15, wat in werkelijkheid 1/15 van een seconde is. Hele seconden worden op de camera afgebeeld met een aanhalingsteken 15. Het lijkt in het begin ingewikkeld, maar hier wen je aan.

15 betekent dus 1/15 van een seconde, en 15″ betekent daadwerkelijk 15 hele seconden.

Uit de hand of op statief
Omdat je een levend wezen bent dat beweegt en ademt, is het moeilijk of zelfs onmogelijk om de camera een hele seconde (1″) stil te houden bij die sluitertijd. Zelf kies ik ervoor om alle sluitertijden tot en met 1/80 uit de hand te fotograferen, en alles daarboven, schiet ik vanuit statief.

30 – 25 – 20 – 15 – 13 – 10 – 8 – 6 – 5 – 4 – 3 – 2.5 – 2 – 1.6 – 1.3 – 1 – 1/1.3 – 1/1.6 – 1/2 – 1/2.5 – 1/3 – 1/4 – 1/5 – 1/6 – 1/8 – 1/10 – 1/13 – 1/15 – 1/20 – 1/25 – 1/30 – 1/40 – 1/50 – 1/60 – 1/80 – 1/100 – 1/125 – 1/160 – 1/200 – 1/250 – 1/320 – 1/400 – 1/500 – 1/640 – 1/800 – 1/1000 – 1/1250 – 1/1600 – 1/2000 – 1/2500 – 1/3200 – 1/4000.

De omgeving staat stil, enkel de bal draait.
Ik zit stil met mijn handen voor mijn gezicht, daarna haal ik ze weg.

 

Je hebt veel creatieve mogelijkheden door te spelen met sluitertijden, hieronder zie je twee voorbeelden. Wat ook een bijzonder effect geeft, is het ‘meetrekken’ van je camera met je onderwerp. Hierdoor draai je de beweging om. Je onderwerp staat stil terwijl de achtergrond beweegt. Dit vereist wel enige oefening, succes!

Comments are closed.

Navigate